Autoverlichting heeft twee doelen: jou helpen de weg te zien en ervoor zorgen dat anderen jou zien. Welke lamp je gebruikt hangt af van het tijdstip, het zicht, het soort weg en andere weggebruikers. Een sterkere lichtbundel is niet altijd veiliger: verblinding kan juist het gevaar verbergen dat je probeert te zien.
Stadslicht, dagrijlicht en dimlicht
Stadslichten maken de aanwezigheid en breedte van een voertuig in bepaalde situaties zichtbaar, maar verlichten de weg niet genoeg om er ’s nachts mee te rijden. Dagrijlichten maken de auto overdag beter zichtbaar; ze vervangen op zichzelf het dimlicht niet wanneer de wet verlichting vereist.
Dimlicht is de normale keuze bij rijden in het donker en bij verminderd zicht. Je moet dimlicht gebruiken in tunnels, onderdoorgangen en stukken die met een tunnelbord zijn aangeduid, en wanneer zware regen, mist, sneeuw, rook of andere omstandigheden het zicht sterk verminderen. Er gelden ook specifieke regels voor wisselstroken, extra rijstroken en rijstroken in de tegengestelde normale rijrichting.
Grootlicht en mistlampen
Grootlicht schijnt verder vooruit. ’s Nachts buiten de bebouwde kom gebruik je het op onvoldoende verlichte wegen bij een snelheid boven 40 km/u, zolang je niemand verblindt. Schakel over op dimlicht wanneer je een voertuig nadert, er kort achter rijdt of voetgangers kunt verblinden. Gebruik grootlicht weer als de donkere weg vrij is.
Mistlampen vóór geven extra verlichting bij verminderd zicht en in bepaalde gevallen op smalle wegen met opeenvolgende bochten. Het mistachterlicht is zeer fel: gebruik het alleen bij dichte mist, zware regen of sneeuw, of dichte rook- of stofwolken. Schakel het uit zodra het niet meer nodig is, zodat je bestuurders achter je niet hindert.
Signalen en veelgemaakte fouten
Richtingaanwijzers laten zien dat je van richting of zijdelings van positie verandert. Geef tijdig richting aan en controleer of de manoeuvre veilig is. Alarmlichten waarschuwen voor gevaar, maar vervangen niet het vereiste signaal voor een manoeuvre. Remlichten en achteruitrijlichten laten zien wat de auto doet; zorg dat ze werken.
Een veelgemaakte fout is alleen dagrijlicht gebruiken in de schemering, bij regen of in een tunnel. Bij veel auto’s blijven dan de achterlichten uit. Ook laten bestuurders soms het mistachterlicht branden bij goed zicht of blijven ze grootlicht gebruiken wanneer iemand nadert.
Eenvoudige controle voor vertrek
Pas de verlichting aan de werkelijke omstandigheden aan, maak de koplampen schoon en controleer voor- en achterlichten. Twijfel je, kies dan licht waarmee je ziet zonder anderen te verblinden, verlaag je snelheid en houd meer afstand. Verkeersborden en de omstandigheden ter plaatse zijn bepalend: gebruik deze uitleg als introductie en raadpleeg de actuele regels voor de situatie.
Officiële bronnen
Regels en procedures gecontroleerd op 25 september 2026. Raadpleeg de officiële bronnen voor latere wijzigingen.



